De nieuwe burgt van Bever Bob
Een verhaal over innerlijke beweging als krachtig doorgaan niet langer werkt
Soms bouw je jarenlang aan iets wat stevig voelt. Een team, een rol, een thuis. Je werkt hard, bent loyaal, houdt vol – ook als het tegenzit. Tot er iets gebeurt dat je dwingt in beweging te komen. Niet omdat je het perse wil, maar omdat het simpelweg niet anders kan.
Het verhaal over Bob schreef ik in 2019, tijdens mijn NLP Practitioner. Het werd het eerste in een drieluik over innerlijke beweging. Nu, zes jaar later, lees ik mijn eigen woorden terug – en besef ik: wat ik schreef als metafoor voor de ander, zegt net zo goed iets over mij.
In mij leeft Bever Bob: de doener, de trouwe helper, de bouwer die zich schrap zet tegen de stroom. Hij is niet naïef. Hij voelt haarfijn aan dat zijn omgeving verandert. En zolang hij maar lang genoeg zijn best doet, komt het vast goed. Toch?
Het verhaal – De nieuwe burgt van bever Bob
Het is herfst.
Een ijzige wind jaagt door het bos. De bomen zijn bijna kaal, maar hier en daar wiegt nog een blad, fel oranje, zachtgeel – zelfs een verdwaalde groene.
Aan de oever van de rivier is bever Bob druk in de weer. Hij woont al jaren in zijn burgt, verscholen tussen de wortels en het riet. Nu de herfst zijn intrede doet en de rivier wilder wordt, wil hij zijn thuis versterken. Bob telt de zware takken. Eén… twee… eh… drie. Dan sjouwt hij ze naar de burgt, zijn poten diep in de modder. De wind fluit, de rivier zwelt.
“Hé, wat dóe jíj nou?” krast ineens een scherpe stem boven zijn hoofd. Karel de kraai cirkelt spottend om hem heen. “Denk je nou echt dat jij dat water de baas bent? Kra-kra! Ha-ha!”
Bob balt zijn knuisten, maar zegt niets. Ziedend blijft hij doorwerken, zwemmend tegen de stroom in. Toch vreten Karel’s woorden aan hem. Misschien heeft hij wel gelijk, denkt Bob somber. Dit red ik nooit alleen.
’s Avonds telt Bob zijn takken. Hij is moe. In zijn burgt-bed draait hij zich nog eens om, brommend aan die nare kraai denkend. Dan glijdt hij langzaam in slaap.
KABOEM!
Bob schrikt wakker. Buiten rommelt het. Slaperig steekt hij zijn snuit naar buiten. Ook buur-muis Miep is wakker geworden van de knal en staat al klaar, haar snorharen trillend. “Wat was dat?” piept ze.
Samen gaan ze op onderzoek. En dan zien ze het. Een groot donker gat. Het wassende water kolkt medogenloos richting zijn burgt. “Oh nee…” fluistert Miep, want ze weet hoe Bob gehecht is aan zijn plekje. Bob kijkt ontredderd naar de ravage. “Wat moet ik nu doen?”
Miep aarzelt, maar zegt dan zachtjes: “Ik denk… dat je moet verhuizen, Bob. En dat kan jij, je hebt dat zo gepiept…”
Bij zonsopkomst kijkt Bob naar de schade; een grote kei is door de wilde rivier gelanceerd en rust nu op twee takken bovenop zijn burgt. Het zal niet lang duren of die takken houden het niet meer. Met de piepende stem van Miep in zijn achterhoofd, kijkt Bob naar de rivier. Die is nóg wilder geworden na gisteren. Miep heeft wel gelijk; hij moet verhuizen!
Dubbend over wat ie zal doen tuurt Bob over de stroom. En dan valt zijn oog op een open plek, iets verderop. Zonovergoten. Stil. Een vredige stek en ook nog eens vlakbij.
En dan weet hij het. Daar zal hij opnieuw beginnen.
De bezige bever gaat aan de slag. Een tak hier, een stronkje daar. Al snel vormt zich iets dat op een nieuwe burgt begint te lijken. Wanneer Miep later met een kopje thee verschijnt, en vraagt hoe het ermee staat, verzucht Bob: “Ik ben al best moe…”
“Dat snap ik,” zegt Miep. “Hier, neem een slok. En kijk eens even om je heen.”

Samen kijken ze en genieten ze van de mooie herfstkleuren. De bladeren kleuren goud en de rivier glinstert tussen de bomen. Bob glimlacht. En drinkt.
Tegen de avond is hij nog steeds aan het werk. Zijn vacht is nat, zijn poten zwart van de klei. In de verte schalt Karel’s stem: “Dat gáát je nooit lukkeeehn! Kra-kra!”
Maar Bob hoort hem niet eens. Nog drie… nog twee… één stronk.
Zijn nieuwe thuis staat en trots kijkt Bob naar zijn bouwsel. De nieuwe burgt is erg mooi geworden en nog steviger dan de oude. In de luwte van de rivier. Met uitzicht op glooiend land, geborgen tussen bomen.
Bob zit stil naast zijn burgt. De wind zingt door het riet. De zon zakt langzaam achter de heuvels.
Hij is tevreden.
Hij is thuis.
Reflectie
Bever Bob was er als eerste. Hij liet me zien hoe kracht en uitputting soms naast elkaar bestaan. Hoe loyaliteit prachtig is – en gevaarlijk, als het je weghoudt van wat nu klopt. In zijn verhaal herken ik mijn eigen neiging om door te gaan. Om te bouwen voor anderen, zelfs als ik zelf nauwelijks nog beschut ben. Ik zie ook hoe ik pas echt iets nieuws kon maken, toen ik stil werd. Toen ik durfde kijken.
Bob is voor mij geen kinderboekfiguur. Hij is een spiegel. Voor iedereen die sterk is – maar moe. De mening van anderen op zichzelf betrekt. Die twijfelt, toch doorgaat en verlangt naar iets nieuws, maar niet goed weet hoe.
En jij?
Herken jij iets van Bob?
Misschien in hoe je omgaat met tegenslag, twijfel of kritische stemmen van buitenaf?
Waar in jouw leven ben jij al begonnen met bouwen, ook als het spannend was?
En hoe zou het zijn…
…om eens rustig om je heen te kijken – te zien wat er al staat?
En mocht je denken: dit zou iets zijn voor haar… of hem… Deel het dan gerust met iemand die op dit moment misschien ook een verhaaltje kan gebruiken.